In Zweden is een tijdje geleden een verbod ingesteld op maagdenvliesoperaties en maagdelijkheidstesten. Artsen die deze ingrepen toch uitvoeren, riskeren daar een gevangenisstraf. Het is een duidelijke lijn: sommige medische handelingen zijn niet alleen onnodig, maar ook onwenselijk.
Ik vroeg me af hoe dat hier zit. Niet omdat het onderwerp vaak zichtbaar is in het straatbeeld of in het dagelijks gesprek, maar juist omdat het zo weinig aan de oppervlakte komt. Het speelt zich af achter deuren, in spreekkamers, in gesprekken die waarschijnlijk niet snel gedeeld worden.
In Rotterdam blijkt het aantal klinieken dat dit soort operaties uitvoert niet eens bekend te zijn. Sterker nog, volgens het college zijn ze er niet. De medische beroepsgroep in Nederland heeft al eerder uitgesproken dat deze ingrepen in principe niet meer worden uitgevoerd. Ze worden gezien als medisch onnodig, wetenschappelijk onjuist en zelfs schadelijk. Alleen in uitzonderlijke situaties zou er nog van afgeweken worden. Wat uitzonderlijke situaties zijn? Bijvoorbeeld als de veiligheid van de vrouw in het geding is.
De vraag naar dit soort operaties komt niet voort uit medische noodzaak, maar uit sociale druk. Uit ideeën over eer, over verwachtingen, over wat “hoort”. Ideeën die, zoals onderzoek laat zien, lang niet altijd kloppen. Zo bloedt een aanzienlijk deel van de vrouwen niet bij een eerste keer seks, ondanks dat dit in sommige kringen nog steeds als bewijs wordt gezien.
De gemeente geeft aan geen signalen te hebben ontvangen. Niet van hulpinstanties, niet van jongeren zelf. Geen meldingen bij wijkteams, het Centrum voor Jeugd en Gezin of Veilig Thuis. Het blijft stil.
Maar betekent dat dat het er niet is? Of betekent het dat het moeilijk bespreekbaar is?
Zweden kiest voor een wettelijk verbod en trekt daarmee een duidelijke grens. In Nederland ligt die grens anders. Hier is het niet strafbaar, maar wordt het ontmoedigd vanuit de medische wereld. De overheid volgt die lijn en zet vooral in op bewustwording. Interessant verschil. Kies je voor een harde norm, of voor een zachtere benadering via gesprek en informatie?